Wat is FAI?
FAI staat voor femoroacetabulair impingement: een botsing tussen de heupkop (femur) en de heupkom (acetabulum). Dat gebeurt doordat een van beide, of allebei, een net iets andere vorm hebben dan gemiddeld. Bij bepaalde bewegingen — vooral diep buigen en draaien — botsen ze net iets te vroeg tegen elkaar aan. Daardoor raakt het labrum bekneld en kan het beschadigen.
FAI komt vaker voor dan je zou denken: een aanzienlijk deel van de mensen heeft een vorm van cam-morfologie zonder dat dit klachten geeft. Pas als vorm, klachten én lichamelijk onderzoek samen passen bij impingement, spreken we van FAI-syndroom.
Twee vormen: cam en pincer
Cam-impingement
Bij cam-impingement zit er een botachtige verdikking — die kleiner of groter kan zijn — op de overgang van heupkop naar heuphals. Deze knobbel botst tegen het labrum wanneer je de heup buigt, en kan op termijn ook het aangrenzende kraakbeen beschadigen. Cam komt vaker voor bij mannen, en vaker bij mensen die op jonge leeftijd intensief hebben gesport.

Pincer-impingement
Bij pincer-impingement overdekt de rand van de heupkom de heupkop net iets te veel. Daardoor botst de heupkop eerder tegen die rand aan. Pincer komt vaker voor bij vrouwen.

Gemengde vorm
Bij veel mensen met FAI is er sprake van een combinatie van cam en pincer.
Cam versus pincer op een rij
Locatie van de afwijking — cam: heupkop/heuphals. Pincer: rand van de heupkom.
Komt vaker voor bij — cam: mannen. Pincer: vrouwen.
Behandeling tijdens de operatie — cam: wegslijpen van de knobbel. Pincer: verwijderen van overtollig randbot.
Risico op kraakbeenschade — cam: verhoogd, vooral bij langer bestaande klachten. Pincer: kleiner, botst meer tegen het labrum aan.
Klachten
Kenmerkend voor FAI is liespijn die optreedt of verergert bij bewegen: lang zitten, diep buigen (bijvoorbeeld je veters strikken), sporten of draaibewegingen. Ook een beperkte beweeglijkheid van de heup, met name bij het naar binnen draaien, komt vaak voor.
Kraakbeenschade bij FAI
Bij langdurige cam-impingement botst de knobbel bij elke buiging tegen het kraakbeen aan de rand van de heupkom. Dat kan op termijn leiden tot slijtage van dat kraakbeen, vaak beginnend vlak naast het labrum. Omdat kraakbeen zich nauwelijks herstelt, is dit een belangrijke reden om klachten niet te lang op hun beloop te laten: op de langere termijn kan dit, met name bij de cam-variant, bijdragen aan het versneld ontstaan van artrose (slijtage) van het heupgewricht. Bij pincer-impingement is dit risico kleiner: de botsing raakt daar vooral het labrum, minder het kraakbeen zelf.
Hoe stellen we FAI vast?
De diagnose FAI-syndroom wordt gesteld op basis van drie zaken samen: je klachten, de bevindingen bij lichamelijk onderzoek — zoals een test waarbij de heup gebogen, naar binnen gedraaid en naar de buik gebracht wordt — en de vorm van je heup op een röntgenfoto of MRI. Lees meer over deze onderzoeken op de pagina over beeldvormend onderzoek. Een afwijkende vorm op een foto alleen is dus niet genoeg voor de diagnose: veel mensen met die vorm hebben nooit klachten.
Behandeling
Oefentherapie is de eerste stap bij FAI en helpt een deel van de mensen voldoende; je fysiotherapeut kijkt daarbij ook met je mee of activiteiten in werk, sport of hobby's tijdelijk aangepast kunnen worden. Geeft dat onvoldoende resultaat, dan kan een heupscopie overwogen worden: daarbij wordt de botsende overgroei van bot weggeslepen (cam) of het overtollige randbot verwijderd (pincer), wordt een beschadigd labrum gehecht — of, als dat niet meer mogelijk is, het beschadigde deel verwijderd — en wordt eventuele kraakbeenschade in dezelfde ingreep behandeld. Lees meer over de afweging tussen oefentherapie en een operatie op de pagina over alternatieven.
