Röntgenfoto's: de vorm van je heup in beeld
Een röntgenfoto van je bekken is vaak de eerste stap. Daarop is goed te zien welke vorm je heupkop en heupkom hebben. Meestal worden twee opnames gemaakt: een X-bekken AP en een X-Lauenstein.
X-bekken AP
Deze foto van je hele bekken, recht van voren, laat zien hoeveel de rand van je heupkom de heupkop overdekt — te veel overdekking past bij pincer-impingement. Ook is op deze foto te zien of de heupkom in een normale stand staat, of enigszins gedraaid is (retroversie).

X-Lauenstein
Voor deze foto lig je met je heup in een specifieke, licht gebogen en gedraaide positie ('kikvorshouding'). Zo is de overgang van heupkop naar heuphals — de plek waar een cam-knobbel ontstaat — het best in beeld te brengen.

MRI: labrum en kraakbeen in beeld
Een röntgenfoto laat vooral bot zien. Voor een goed beeld van het labrum en het kraakbeen is een MRI nodig. Vaak wordt hiervoor eerst, onder echogeleide, een injectie in het heupgewricht geplaatst waarmee contrastvloeistof wordt ingespoten (een MRI-arthrogram). Dat contrast verspreidt zich door het gewricht en maakt het labrum en eventuele kraakbeenschade een stuk beter zichtbaar op de MRI-beelden die daarna worden gemaakt.

Diagnostische injectie (marcaïnisatie)
Soms is niet meteen duidelijk of je heupgewricht zelf de bron van je klachten is. In dat geval kan een diagnostische injectie onder echogeleide uitkomst bieden — ook wel marcaïnisatie genoemd. Hierbij brengt je orthopedisch chirurg een combinatie van een verdovende stof (lidocaïne) en een ontstekingsremmer (corticosteroïd) in je heupgewricht in.
Neemt je pijn in de uren erna duidelijk af, dan is dat een sterke aanwijzing dat de heup zelf de bron van je klachten is. Na de injectie houd je een kort dagboekje bij: welke verschillen merk je in de eerste uren, de eerste dagen en de eerste weken, vergeleken met de periode vóór de injectie? Na twee tot drie weken bespreken we — vaak telefonisch — samen wat het effect is geweest.
Zelden nodig: CT of botscan
In een klein aantal gevallen levert een CT-scan of botscan nog aanvullende informatie op, bijvoorbeeld over de precieze vorm van het bot of de mate van artrose. Dit onderzoek zetten we alleen in als dat echt nodig is.
